Jip heeft een eigen tuintje. Hij mag het zelf omspitten. En Janneke helpt. Nu is het tuintje omgespit en vader zegt: Vanmiddag zal ik jullie helpen. Dan gaan we zaaien. Bloemetjes zaaien. En worteltjes. Wacht maar tot vanmiddag. Maar Jip en Janneke zijn zo ongeduldig. Ze willen nu meteen iets doen. Vader is naar kantoor en Jip zegt: Zullen we zelf bloemetjes zaaien? Goed, zegt Janneke. Hoe moet dat? Ik weet niet, zegt Jip. Weet jij het? In onze tuin staan bloemen, zegt Janneke. Laten we die maar halen. Dan gaan ze naar de tuin van Jannekes huis. Daar bloeit al heel veel. Kijk deze, zegt Janneke. En ze plukt er een paar. En deze, zegt Jip en hij plukt een handvol. Ze hebben nu een heleboel bloemetjes. En ze gaan er mee naar Jips tuintje. Kijk, zegt Jip, we graven kuiltjes, kijk zo, en we zetten de bloemetjes erin. En dan de kuiltjes weer dicht. O, wat werken ze hard. Eerst een rij gele bloemen. Dan een rij paarse. Ziezo, zegt Janneke. Je tuin is klaar. Hoera. Als vader thuis komt, roept Jip: Vader, we hebben al bloemetjes gezaaid. En ze bloeien al. O ja, zegt vader. Laat eens kijken. Maar als ze gaan kijken... o jee, de bloemetjes hangen al slap. En sommige zijn omgewaait. Het is niet mooi meer. Janneke moet ervan huilen. Het was zo prachtig, snikt ze. Ja zegt vader. Maar als je echte bloemetjes wil hebben in een echt tuintje, dan moet je ze eerst zaaien. En niet zo maar erin stoppen. Kom nu gaan we het goed doen. Ze halen de bloemen eruit. En vader doet voor, hoe je moet zaaien. Het tuintje is nu weer helemaal zwart. Maar vader zegt: Wacht maar, over een poosje is het groen. En daar wachten ze nu op.
© Querido, Amsterdam 1953,  Annie M.G. Schmidt